De diamantmijnen van Brazilië
Ook Brazilië heeft diamantmijnen. We lazen voor u een bijdrage uit het tijdschrift ‘De Natuur’ uit 1889.
Diamanten uit Brazilië en Zuid-Afrika
In deze aflevering van dezen jaargang gaven wij een beschrijving van de diamantmijnen van Zuid-Afrika en maakten daarbij melding van de oudere mijnen in Brazilië, die door haar mededingsters in de schaduw waren gesteld.
In een opzicht echter handhaafde Brazilië haar meerderheid. De Braziliaansche steenen toch zijn in den regel fraaier van kleur dan de Kaapsche. Dit geldt bepaaldelijk van de diamanten van Rio Janeiro uit de wasscherijen van Bagagem en Cuyba de zoogenaamde brut mina, terwijl die van Bahia, de brut sincora, 10 tot 20 procent lager worden geschat. Daaraan is het toe te schrijven, dat Brazilië toch nog een plaatsje op de markt heeft weten te behouden en blijft ook de mogelijkheid bestaan, dat nieuwe ontdekkingen haar ouden roem herstellen.
Den lezers van “De Natuur” moge het aangenaam zijn, het een en ander te vernemen omtrent de exploitatie van dit gesteente aldaar.
Zooals wij toen reeds opmerkten, is deze veel ouder dan die in Zuid-Afrika. De eerste steenen werden er in 1728 of ‘29 gevonden door lieden, die naar goud zochten in het oostelijk kustgebergte van Brazilië. De eerste vindplaats lag in de nabijheid van het latere Diamantina in de provincie Minas Geraes, toen nog een Portugeesche kolonie.
Tijd en plaats dier ontdekking bereidden den Braziliaanschen mijnen een geheel andere toekomst dan den Kaapschen, die in deze eeuw geopend werden in een landstreek, waar Engeland de leiding in handen nam. Voor de Kaapsche mijnen beteekende dit vrijheid en de gunstigste gelegenheid om zich te ontwikkelen onder de medewerking van kapitaal en machinerieën; in Brazilië viel de ontdekking in een tijdperk en onder een bestuur, dat in het strengste monopolie ten voordeele van den staat de grootste wijsheid zag, en in geen geval aan eenig bedrijf de vrijheid gunde, om zijn eigen weg te gaan.
De vaderlijke zorg der bewindhebbers ging in die dagen ver. Ternauwernood had de regeering van de ontdekking vernomen of zij gelastte, dat iedere andere ontginning van den bodem zou gestaakt worden en bepaalde tegelijkertijd het bedrag, dat aan den staat zou worden uitgekeerd. De opbrengst bleef echter beneden de verwachting en na vijf jaar verviel de regeering tot een ander uiterste en verbood de exploitatie tot tijd en wilje ze een meer winstgevende regeling had bedacht. Na weder vijf jaar was ze gereed met een nauwkeurige omschrijving van de voorwaarden, waarop zij aan den contratador de ontginning der diamantmijnen wilde gunnen. Ook dit gaf niet de gewenschte resultaten. In 1772 liep het laatste contract ten einde en de regeering trok de zaak aan zich. De diamantstreken werden staatsdomein in den strengsten zin van het woord. Het gewest, 150 vierkante mijlen groot, werd geheel gesloten voor alle particulieren en werd onmiddellijk uit het moederland door een generaalintendant bestuurd, die een despotische macht bezat. Hij was het civiele hoofd, opperrechter en militair bevelhebber; hij benoemde ambtenaren en zond ze weg; hij had het recht van de munt en kon papieren geld uitgeven; en geen koloniaal ambtenaar, ook niet de gouverneur, mocht zijn gebied op eigen gezag betreden. Het eigenlijke werk geschiedde door slaven, die door een legertje van ambtenaren en militairen werden gedrild en bewaakt. De geheele regeling was een bijna volmaakte oplossing van de vraag, hoe met de grootste middelen het geringste resultaat te verkrijgen en toch was een staatkundige revolutie noodig, om er een eind aan te maken. Brazilië werd in 1822 onafhankelijk; toen het de eerste verwarring te boven was, wijdde het ook zijn aandacht aan de ontginning der diamanten en hief de staats-exploitatie op. Dit geschiedde in 1845. Sints geschiedt dit door particulieren, die voor bepaalde mijnen concessie vragen.
Uit den aard der zaak is het zeer moeielijk te berekenen, hoe groot de productie is geweest.
Het geheele bedrag, dat van den aanvang af tot heden door Brazilië werd geleverd, wordt geschat op 12 millioen karaat. De staatexploitatie van 1772 tot 1845 leverde slechts 1,300,000 karaat. Dit is trouwens het officieele cijfer; niemand zal kunnen zeggen, hoeveel er aan het toezicht ontsnapt is, vooral in de jaren van verwarring na 1822. Het nieuwe regime bracht beter resultaten. In 1850 en 51 was de opbrengst jaarlijks 300,000 karaat, later nam dit weer af, zoodat het daalde tot een gemiddeld bedrag van 52,000 karaat en na de opening der Kaapsche mijnen werd dit 8 à 90001.
De vindplaatsen zijn de barancas of kloven, waardoor de rivieren stroomen, smalle dalen, die in het bergplateau van Diamantina tot een diepte van 300 tot 400 meter zijn uitgespoeld. Waar het bed dier rivieren nog niet is bewerkt, kan men onder een oppervlakkige laag van alluviaal zand, een laag vinden van rotsblokken en daaronder het diamanthoudende grint, dat sterk met leem vermengd is.
De grintlagen, geheel uit rolsteenen samengesteld, zijn rijk aan allerlei mineralen en worden in Brazilië cascalho genoemd, wij noemen die seifen of waschgronden. Men vindt ze op verschillende diepten van eenige decimeters tot 25 en 30 meter. Hetzelfde mineraal wordt ook wel gevonden in kleine terrassen op de helling der valleien, waarin de rivieren stroomen; het is grooter, minder gerold en daar waarschijnlijk in vroegere perioden van de vorming der rivierdalen bij hooge waterstanden ontstaan. Die lagen heeten in de taal des lands gupiarras.
Men treft ze ook aan in den rooden grond op het plateau zelf, ze zijn daar nog grover en nog minder gerold, en heeten dan gorgulho. De banken in de rivierbedding zelf zijn echter het rijkst en de ontginning daarvan dan ook het gewichtigst.
Uit: De Natuur, Populair Geïllustreerd Maandschrift, gewijd aan de natuurkundige wetenschappen en hare toepassingen.
15 Mei 1889 – 9e jaargang
Gerelateerde artikelen:
Tags: diamantmijnen brazilië, diamantmijnen zuid-afrika, tijdschrift de natuur